Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 33 3

h welk in de ziele zijne zitplaats heeft, aari het ligchaam medé gedeeld worde, en diene, om deszelfs geluk te vergrooten; bij voorbeeld : de bewustheid van eene braave daad verricht te hebben bekoort den geest, maar zij bevordert ook den ligchaams welftand; zij vermeerdert de vlugheid van de levensgeesten: zij drijft het bloed met eene, meêr dan gewoone, fnelbeid door de aderen; zij verwt het gelaat des grijsaarts met een eer.waardig rood, en verwekt in het geheele ligchaams-geitel eene aandoening, welke niemand uitdrukken kan : Ja , het is enkel door de ziele , door haare naauwe betrekking tot het ligchaam,— dat dit, naamelijk het ligchaam, voor aangenaame indrukken, dat is, voor geluk en ongeluk, vatbaar is. Men doe deeze betrekking ophouden, — men fcheide de ziele van het ligchaam af, aanftonds is het van alle gevoel en werking ontbloot; omtrent de barste woestenij en de bekoorlijkste landftreek is het even onverfchillig. Het lijk van eenen geftraften booswichtligt even zacht op een affcbuwelijk rad, als dat van een, door veelen vergoden, vorst op een kostbaar parade-bed. . .

Uit het geen ik hier van de vereeniging en wederzijéfche werking tusfchen de ziel en het ligchaam gezegd heb, mogen, dunkt mij, de volgende belangrijke befluiten worden opgemaakt: Dat de mensch wel twee bronnen in zich zeiven heeft, waar uit hem het geluk kan toevloeien, doch dat de genoegens welken door deeze bronnen opgeleverdworden,'zich over den geheelen mensch, meêr of min, C ver-

Sluiten