Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

264 TERUGZIGT-OP HET

blyven, is met de natuur van den mensch in zynen tegenvvoordigen toéftaod volftrektelyk ftrydig. VerfchUlend echter is de maate van tegenipoeden, die hem in dit of dat gedeelte zyns levens treffen. Dikwyls gaat eene aanmerkelyke reeks zyner dagen flil cn gerust voorby, en flechts ligte, ras voorby dryvende wolken benevelen de helderheid van zynen geest, en de blyde vooruitzigtcn, die voor zyne oogen zyn.

Dikwyls volgen echter ook in zeker tydvak wederwaardigheden op wederwaardigheden, ongelukken op ongelukken, de eene flonn op den aaderen , cn doen hem de nietigheid van den mensch, cn van alle zyne aardfehc onderneemingen en verwachtingen treffend gevoelen. En dit verfchaft den wyzen, den Christen, die nog eenige ernflige oogonblikken by het afgeloopens jaar llilftaat, flof tot nadenken. Welke onheilen, vraagt hy by zichzelven, welke onheilen tekenen hetzelve ? Waren het onheilen van de gewoone, dagelyks voorkomende, of van eene minder gewoone en zeldzaame foort? Onheilen der ziele, of onheilen van het ligchaam? Onheilen, die ik my door myne onvoorzigtighcid. en dwaasheid op den hals haalde, en als rechtvaardige ftraffen myner misdryven moest aanzien;

of

Sluiten