Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 3*8 )

firijd, hoe verfchrikkelijk de tegenftand, die 'er in 't vervolg op handen was! wat is *er niet van noden om de vijaiidfchap van eenen eenigen in een eenig geval te overwinnen! boe veel meer om een Jood, een heiden, te overtuigen, en te regl te brengen? Wat wierdt 'er derhalven niet vereischt om veele duizenden over te baaien, daarin te volharden, en volftandig te blij ven, in weerwil van alle woede, vervolging en verdrukking van woest geweld , en niet tegenftaande alle de listige aanllagen van fchrandere wereldwijzen ! Maar *s Heeren volk en knechten wierden nu op eenmaal,als menfchen Gods, tegen dat alles volmaaktlijk toegerust. Was

de verfcheidenheid der fpraaken hier en daar ook een groot beletfel voor de uitbreiding der Euangeli - leer, gelijk de ondervinding nog heden leert: ook hierin wierdt door de srave der taaien zoo wijs ais grootmagtig van God voorzien. Hierdoor kon de prediking van christus, overal, fpoedig en onverhinderd, begonnen eit volbragt worden, in de geheele ■wereld. Onze ongeleerde GalUeërs wierdeu volkomen in ftaat gefield, om alle volken der aarde, en Joden van allen landaard , in hunne eigen landfpraaken en moedertaaien "te onderwijzen en te verlichten. Wat al tijd en kosten worden 'er vereischt om enkele volken in'hunne vreemde tongvallen te kunnen leeren!, Laten de maatfchappijen, ter voordplanting des geloofs opgerigt, dit getuigen. Gods magt en Wijsheid wist korter weg. Hij Hortte zijnen Apostelen en anderen op eenmaal allerlei taaien in , naar vereisen van hunne zending en beftemming. Sommige nieuw, lings bekeerden, welken onder Joden of heidenen door hunnen dienst wierden ingewonnen , ontfingen hier eu daar dergelijke wondergave, bij hunnen overgang tot het geloove. En gelijk wij niet ontkennen , dat dit fprekend wonder telkeus eene Godlijke achtbaarheid gaf aan den Euaugelidienst , onder welken dit wonderbaar taalvermogen gefchonken wierdt, zoo kap men ook niet lochenen , dat het dienen kon , om ook dus begiftigde bekeerlingen in ftaat te (lellen, om deels bij het leeven, deels na den uitgang der eerfte euamreligezanten, het geen zij van hun gehoord en geleerd hadden aan anderen in hunne taaien bekend te maaken. Waartoe zij ook meer gelegenheid zullen gehad hebben , dan wij nu kunnen nagaan. °Eri wat 'er zij van alle die gevallen, waarin de H. G. op de nieuwe geloovigen viel, en hen deedt fpreken in nieuwe eu vreemde taaien; wat 'er ook zij van het.onderlcheiden begrip der geleerden , of de gaaf der taaien bijblijvend ware,

of

Sluiten