Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

e 15° i

niet alles door de voldoening die onze zintuigen verkrijgen, in het gezigt van het menigvuldig fchoone, verhevene en genietbare , 't welk zich voor ons van rondsomme opdoet!

Met de openbaaring van jesus kristus, met het Euiingelie, is het even eens gelegen, 't Geen wij van 't Natuurlijk Licht gewaagen, is tot dezelve ook betrekkelijk.

Gij weet, dat onze gezegende Verlosfer zich het Licht noemt, dat alle menfchen verlicht, en dat, dewijl hij, als de volmaakte Leeraar, van die heilvolle ontdekkingen, welke tot volmaaking van het geluk der Menfchen, en tot bevoordering van hunne waare vreugde, zoo zeer nodig waren, — alles heeft toegebragt en aangewend, wat tot verbetering van kennis en zeden vereischt kon worden. —— Die onderwijzing tot godvrucht — die waarheid, welke ons door het Euiingelie van kristus verkondigd zijn geworden, zijn de lichtftraalen, welken hij, als de opgang uit de hoogte, als de Zon der gerechtigheid gefchoten heeft door de duisternisfe van dwaasheden, dwaalingen, verkeerde begrippen — en wanorde in de zeden, met dewelke de wereld op eene jammerlijke wijze was bedekt geworden, en om dit uitwerkfel heet het Euangehe bij afleiding zelve aen Licht. — Het Euiingelie is dus een Licht 't welk fchijnt: de glans van het zelve fchittert gelijk de glans der lieflükrijzende Zon. Zij , 't is waar, die nog woonen in het land der fchaduw des doods, die nog gezeten zijn in de duisternis — zij mogen het aangenaame, het zieltreffende van dit licht niet kunnen voelen, dewijl het hun nog niet is opgegaan; dan hoe genoeglijk moet het hun zijn , die de duisternis , welke voorheen de harten als met een dekfel overkleedde , mogen verdweenen zien ; en hoe waardig, hoe belangrijk is het niet ons, wien het is opgerezen ! hoe veele wonderen van godlijke goedheid en genade, hoe veele blijken van liefde, mededogen en ontferming onzes weldaadigen Scheppers, ontdekt het ons niet l Hoe veel wijsheid, hoe veel magt, hoe veel trekken van godlijk welbehaagen, fpreidt het ons niet ten toon! en hoe fchetst het ons niet tafreelen , wier rijzende beelden de diepte verwondering en de oprechtfle lofverdienen! . ttaadpleegen wij, bij voorbeeld, dit zo heerlijk en zalig ■Licht ten aanzien van deszelfs ronde en duidelijke ontdekking van de natuur en eigenfehappen van het Opperwezen, 't moet dan zeker volgen, dat, zo wij met de oogen des vetftands wel zien, zo wij onze befchouwing nauwkeu* dg veirichten, dat wij den volmaakten Veroorzaker van

ons

Sluiten