Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C i«3 )

oog op hun zijn, en -zijne Vaderhand hen befchermen.

Men merkt dus, dat dit dan famenhangt met ézoverh den en tbagten van Joden, Grieken en Romeinen, welker geweld, door deze zendelingen opgewekt, God zou beteugelen of" verbreken, ten minden voor hun — onbeichadelijk ' maaken.

Hier bij voegt hij tegenwoordige en toikomerde dingen, dat zijn allerlei gebeurenbfen, die 'er reeds waren of komen zouden; alle omwentelingen in het joodfche Kerk en Staatsgeflel, zelfs in de Roomfche M-rarchie en het beduur van Griekenland — op die puinhocpen zouden de Kristenen gebouwd worden . en onder alle die omwentelingen bewaard blijven ; dan zou God zeggen, die hun aanraakt, raakt mijn oogrppel aan.

Maar nog is de lijst niet vol, hij voegt'er bij: hoogte en diepte; hier door verda ik twee dooddraffen, dikwerf den Kristenen aangedaan, dus behoort dit tot het zwaard en den dood ,te vooren opgenoemd. Hoogte is de kruisdraf en diepte zegt het verdrinken in de zee , of het nederdorten van hooge rotzen in diepe valleien ter verplettering — doch deze dooddraf kon ook Gods liefde van hun niet aftrekken, 's Vaders eigen Zoon was aan het kruis verhoogd; God zou zijne kruisfelingen van het hout ten hemel voeren 5 en de afgronden der zee en de diepte der aarde waren zijne ; Hij zou hun ter zijner tijd van daar ook weder te rug brengen in de opdanding der rechtvaardigen.

Tot dot voegt hij 'er bij noch eenig fchepfel'; dit voltooit > de tekening en duit er alles uit, wat buiten God aanwezig 1 was; geen Wezen kon dit doen, dewijl niets onder het ge-

! fchapene, den ongefclrpen God beletten kon. Het i»

: dan veel, het is te weinig gezegd, dat geen fchepfel Hun van Gods li fde zal feheiden; daar ze hun alle dienen zul3 len, om de heilige knoopen nauwer toe te drikken.

Hiervan zegt paulus hen varzekerd ,dat dit zoo is;

» ■ en te recht, . ,

Want dit wist hij uit Gods woord en duidelijke beloften; \ Beloftt n, welker heerlijke uitwerkzelen wij in de geloovi: gen befpeuren,die,fchoon in verachting en gebrek, hun leeven doorbrengende, nogthands vermaaken ondervinden, die alle werelds grootheden en rijkdommen niet verfchaffen kunnen; en deze ftervende, die op het gezigt van den dood eene vertroostinge en vermaak geniet, dat haar krankbed in een ©verwinningsveld verandert — en in de Martelaaren, die op raden en brandende houtdapels zich gelukkiger achten, dan

hun.

I

Sluiten