Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE V R IJ E GOBSD IENSTVB.IE ND.

SV°. SS.

Het is niet goed, dat de mensch alleen zij, ik zal hem een hulpe maaken, die tegen hem over zij.

gen. II: i3.

OVERDENKINGEN VAN EENEN VADER, ZIJNEN ZOON AAN EENE DEUGDZAAME MAAGD DOOR DEN ECHTBAND VEREENIGENDE.

TA it fchoon heelal, door den adem Gods daar gefield -■—' zijnde, ontbrak'er nog op dit benedenrand een wezen, dat gebruik konde maaken van veele bijzonderheden in dc fchepping, die een hoogepriester was der ftomme, fchepping, en veele dingen in aarde en hemel aan het oogmerk van den Vormer deedt dienstbaar zijn.

God fchiep dan eindelijk den mensch, de kroon, het pronkfluk der fchepping, en begaafde hem met die vermogens , welke in een bouwer der aarde, een befchouwer des hemels — en in een wezen gefchapen voor e.eneecuwigheid vereischt werden.

Dan, daar ieder beestjen, ieder diertjen , toen een wedergaê hadde, en gelijkfoortige fchepfelen zich bijzonder meteikanderen vermaakten, — was het nodig, dat adam die nergens een wezen vondt, hem gelijk , een wedergade werdt gegeven. ■ - Zo 'er in dien ftaat eenige ontevredenheid in de ziel konde plaats hebben, 't was het gemis van eene wedergaê — met redenlooze beesten en dieren alleen kon adam nimmer zijn leeven veraangenaamen. -—• Het is niet goed, zeide daarom de Schepper, dat de mensch alleen zij, ik zal hem een hulpe maaken, die tegen hem

over zij een hulpe, die hem dienstbaar zij, die hem.

in zijn arbeid verligte en de huislijke zaken, zaken van minder belangd waarnemë. Die een (goed) wijf'krijgt^

zegt daarom j. iijrach(XXXVI: 2Ó,jdie begint goederen

i. H h tg

Sluiten