Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

34 HET BOEK JOB. IX.

-. Ik zal laten varen mijn treurig gelaat;

Ik zal het op nieuws weer doen ophelderen ;

28 Dan verfchrikt mij het gevoel van alle mijne

rampen;

Dan ondervinde ik, [0 God ! dat mijn hopen

vergeefsch is,] Dat Gij mij niet voor onfchuldig zult hou*

den.

29 [Nu dan!] Ik ben gedoemd, als een fchul-

dige ;

Waarom zal ik mij vruchtloos afmatten? .30 [Want] fchoon ik mij waschte met fneeuw,

Schoon ik mijne handen reinigde met zeep; 31 Terftond zoudt Gij mij in een modderpoel dompelen,

Dat ik ten afgrijzen was voor mijn eigen gewaad.

3a Waarlijk God is geen man, gelijk ik, Dat ik op zijnen eisch zoude antwoorden, Dat wij te famen in geding zouden komen.

33 Wij hebben niemand tot een' fcheidsman, Aan wien wij ons beide onderwerpen.

34 Hij verwijdere van mij den fcepter zijner

magt ! Hij

Sluiten