Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET BOEK JOB. XVIII. 67

De voetangel verborgen op zijn pad. ti Verfchrikkingen vallen rondom op hem aan;

Zij drijven hem, waar hij zijnen voet zet. la Zijne krachten worden uitgeput door den honger;

. De zwaarfte kommer kleeft hem op zijde.

13 De eerstgeborene des doods knaagt aan zijne

grendelen;

De grendelen van zijn lichaam knaagt hij los.

14 De zekerheid is weggerukt uit zijne tente; De verfchrikking ftapt op hem aan met het

geweld eenes Konings ;

15 Zij betrekt zijne tente , die niet meer de zij¬

ne is,

En beftrooit met zwavel zijn weelig verblijf.

16 Van onderen verdorren zijne wortels; Van boven verkwijnen zijne takken.

17 Zijne gedachtenis gaat te niet van den aard¬

bodem ;

Hij houdt geenen naam meer op de vlakte der wereld.

18 Men drijft hem uit het licht naar de duifter¬

nis ;

E 2 Men

Sluiten