Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

68 HET BOEK JOB. XVIII.

Merj verjaagt hem weg van de aarde.

19 Geen zoon, geen kleinzoon , niemand van

zijn gedacht, Niemand van zijne gunftelingen blijft 'er meer over.

20 liet Westen ftaat verbaasd over zijn einde; Het Oosten wordt met ijzing bevangen.

21 Waarlijk ! zo gaat het met de wooning van

den booswicht, Met het verblijf des verachters van God!

X I X.

1 Job.

a Tot hoe lange zult gij mijne ziele doorgrieven,

En mij verbrijzelen met [uwe] woorden?

3 Tienmaal hebt gij mij nu reeds gefmaadt, En fchaamteloos hard mij bejegend.

4 Immers, zo ik waarlijk in dwaling verkeer, Laat dan die dwaling bij mij volharden!

5 Moet

Sluiten