Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET BOEK JOB. XXIV. pi

En houden geen fpoor [bij het fchijnfel der zonne].

14 Eer het nog licht is, ftaat de moordenaar op; Den armen en behoeftigen brengt hij om

hals;

Zodra het nacht is , ligt" hij, als een dief, op de loer.

15 De ovcrfpeeler neemt de fchemering waar; Nu, zegt hij, zal zich geen oog op mij vestigen ;

Zijn aangezicht bedekt hij met den fluier [des nachts].

16 [De dieven] doorgraven de huizen bij don¬

ker;

Over dag fchuilen zij weg : zij kennen hec licht niet.

ij De dageraad is hun als eene fchaduw des

doods;

Met de verfchrikkingen der duisternis zijn zij gemeenzaam.

ï8 Moesten deezen niet wegdrijven, [als fchuim] op het water? Moest niet hun lot op aarde vervloekt zijn?

On-

Sluiten