Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

io4 het boek JOB. XXIX,

8 Dan zagen mij de jonge lieden , en bleven

op een' afftand; De ouden ftonden op en Haakten hunne reden;

9 De vorften hi'elden hunne woorden te rug, En legden de hand op den mond ;

ïo De ftem der aanzienlijken bleef op. een' afftand;

De tong kleefde aan hun gehemelte, n Zo hoorde mij elk oor, en prees mijn geluk; Zo- zag mij elk oog, en erkende mijne waarde: .

12 Want den verdrukten a die vruchteloos klaag¬

de,

Den wees en den hulpeloozen was ik ten redder.

13 Des veriatcnen zegen kwam op mij neder; Der weduwen hart deed ik juichen.

14 Rechtvaardigheid toog ik aap: zij was mijn

fierlijk gewaad; Mijne rechtfpraak was mij tot een' mantel en tulband.

15 Den. blinden was ik tot oogen;

Den

Sluiten