Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

130 HET BOEK JOB. XXXVL

3 Ik zal tot verdeediging van mijnen maker, Mijne gronden ophalen van verre.

4 Voorzeker ! ik zal niet bedriegelijk fpreeken; Gij zult mijn gevoelen duchtig bevinden.

5 God is groot; niets echter verfmaadt hij, Hij die groot is door fterkte van geest-

6 Den verdrukker geeft hij geen heil, Maar hij handhaaft de zaak der verdrukten.

7 Nimmer onttrekt hij zijn oog van den vroo-

men;

Naast koningen doet hij hen zitten op den troon;

En voert hen dus op tot beftendige hoogheid :

8 En worden ze in bqeien geflagen, Gekneld door Itrikken van druk;

9 Dan maakt hij hun hunne daaden, Hunne hoog geftegene zonden bekend.

10 Dus opent hij voor de beftraffing hun oor. En vermaant hen om 't kwaade te laten.

11 Hoorcn ze en onderwerpen zij zich, Dan flijten ze in voorfpoed hunne dagen, Hunne jaaren in wellust.

12 Doch

Sluiten