Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

AANMERKINGEN, zi

ys. 15 , 16. Ik trek het eerfte woord van vers 16 door onze Overzetters vertaald, ik verfmaade ze, (namelijk mijne beenderenj tot vers 15, en meen, dat die verfmaading liever tot den dood moet gebracht worden; zo dat de zin zij : ik acht den dood ligter, dan de fmerte , welke mij dit ellendig gebeente veroorzaakt. Dat het gebeente hier voor het uitgemergelde lighaam dient genomen te worden , is op zich zelve klaar genoeg. Echter heeft het ten opzichte der Hebr. uitdrukking zijne zwaarigheid : waarom ik fterk overhelle tot eene gisfing, volgens welke, door de verandering van ééne letter, in plaats van mijn gebeente, zoude moeten gefchreven worden, mijne knellende rampen , welk woord voorkomt Hoofdd. IX. 28. H. A. S. Vergelijk het Aanhangfel.

ys. 17. Wat is de mensch, dat Gij hem zo groot acht. Volgens de kragt van 't Hebr. woord zoude men ook kunnen vertalen : Wat is de mensch, dat gij met hem worftelt? De zin der tegenwoordige vertaling is dezelfde : Is de mensch niet te klein en te gering om bij God in aanmerking te komen ? Is het der Godlijke Majefteit niet onwaardig zich te [ B 3 ] ver-

Sluiten