Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

AANMERKINGEN, 41

of deeze verfen in verband ftaan met de naast voorgaande rede, vs. 4—6 , dan wel met vs. 3 ; zodat de tegenoverftelling van den fmaad der vroomen tegen het aanzien der godloozen eene tusfchenrede, of uitweiding zij, hoedanige Job in de drift van zijn fpreken wel eens meer heeft. Ik voor mij helle meest over tot het eerfte gevoelen, het welk de Heer michaelis ook gevolgd heeft, en meene , dat Job zich beroept op alles wat leeft, om getuigenis te geven , dat ook bij hem de fterkere geweldenaar den zwakken onfchuldigen overheert. Dit alles, zegt hij vs. 9, is de befchikking van Jehova, in de befchrijving van wiens wijsheid en magt hij vervolgens uitweidt ys. 13—25.

vs. 11, 12. Nog moeilijker is in dit verband de plaatfing van deeze verfen. Oni dezelve , het zij achter vs. 3, het zij elders te verzetten, is te veel gewaagd, dewijl noch de oude Overzettingen, noch de Handfchriften daartoe eenige aanleiding geven. De meening van den Heer michaelis fchijnt de eenvoudigfte te zijn. ,, Wijl de vrienden van' „ Job, (zegt hij,) zich foms op oude liederen „ van hun volk beroepen hadden [bij voorb.

[ C 5 J „ Hoofd.

Sluiten