Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is5 AANMERKINGEN.

En deeze lichten , zowel als andere afgoden s eerde men , door hun eene eerbiedige kushand toe te werpen. Job betuigt van deeze afgoderij altijd zo afkeerig geweest te zijn, dat hij er zich zelfs niet in het geheim, veelmin in het

openbaar aan had fchuldig gemaakt. Daar

hij ondertusfehen juist dit oudfte foort van afgoderij noemt, ziet men daarin een bewijs voor de hooge oudheid van dit Dichtftuk.

w« 31 •> 32- Beide deeze verfen zien op de gastvrijheid van Job. Alle zijne huisgenooten hadden er hem ten allen tijde over gepreezen, dat er bijna niemand was, die niet van zijne tafel gegeeten had: ja,zijne deur had geftadig voor de reizigers opengedaan , om hen des nachts te herbergen. Vondt men zulk eenen edelmoedigen gastheer niet, dan moest men, ook in de fteden zelve, wijl men nog geene openbaare herbergen had, buiten huis vernachten , waarop in het eerfte lid van vs. 32. gezien wordt, en waarvan men een voorbeeld vindt Richt. XIX. 15.

vs. 33. Over het geheel is de zin van dit vers : Ik heb in de betuiging van mijne onfchuld, die ik thans doe, geenzins eene of andere

Sluiten