Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

42 nr. Overd. Over het Misbruik van het

king het voorftel van het diep bederf op ons moet hebben. Wanneer de mensch gevoelt, dat hij ellendig zij, dan moet hem dit doen uitroepen. Ik ellendig mensch! wie zal mij verlosfen van het lighaam deezes doods? dit gevoel, die wensch is zoo natuurlijk , dat fchoon 't verboden ware, zoo te wenfchen, de mensch echter zulk een'wensch niet zou kunnen onderdrukken. Waar was 'er ooit een zieke, die gevoelde, hoe ziek hij was, en niet te gelijk zuchtte: Ach! dat 'er noch maar eens een Geneesmeester, een geneesmiddel ware, dat mij van mijne ziekte bevrijde! — waar was'er ooit een onkundige, dien het gevoel zijner onkunde drukte, en die niet tevens verlangde naar een kundigeren , door wiens onderrichting hij wijzer kon worden ? Waar was 'er ooit een gevangene, die niet naar verlosfing, of een ellendige , die niet naar hulp omzag ? Even daarom haakt de hulpelooze naar hulp, om dat hij gevoelt, dat hij zich zeiven niet kan helpen. Even daarom is een zieke ten fterkften op eenen Geneesmeester gefield, om dat hij door zijne ziekte gedrukt wordt. Tot dat alles wekt onze geheele natuur ons op. Wij moesten ophouden menfchen te zijn, wanneer wij in onze ellende niet naar eenen verlosfer uitzagen. Waarlijk; dan moet men het gevoel van ellende op allerleie wijs verdooven; den zieken opium geeven; dan moet men den mensch zoeken te overreden, dat de zonde zulk een groot kwaad niet zij, dat ze alleen een gevolg van de beperking onzer natuur zij; wanneer de mensch niet naar hulp omziet, niet om eenen verlosfer zucht.

§ io.

Sluiten