Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

* 37 *

dragelijke goede en bruikbaare gedachten, b. v. die van de Geit, pag. 90. van de IVaterjhip, pag. 54. en die weinige Bloemen, die Gij uit Rabeners Satijren ontleend, uit den tuin van mijn Oom geftoolen, uit hun verband en zamenhang gerukt, en zonder eenigen fmaak en oordeel, op den mageren, armoedigen, verwilderden en akeligen Akker van uwe Biogra • phie, als membra poè'ta disjecla, als Tuinjlaaken ter nedergeflanst hebt, kunnen immers de woestenij van uwe Biographie, niet tot een Paradijs maaken! 't Schijnt, dat Gij noch vrees voor den geleerden Fiscaal, noch eerbied voor Neêrlands fchrander volk, noch achting voor u zeiven hebt, dewijl Gij in ftaat zijt geweest, uw fcbilderij openlijk ten toon te hangen. Pu-

de.

snelde rede niet zeggen waar, dat een Herder eens van een tak van een Laurierboom gegeten heeft, en terfiond een Poëet geworden is. Maar dat gefchiedde in dien tijd, toen de Ezels nog fpreken konden. Gij zijt zeker een geboore Poëet. De inval van de Marltton is zo kwaad niet! Hoe 'vaart toch uw Confrère, die grooie Moralist, die de zedelesfen door het Bomgat van de ton fpiak? volgens het bericht, dat mijn Oom van hem in den vriendelijk berichtgevenden Lutb. Koster, pag. 63.64. geeft. Knoeijt hij nog mede aan de Ned, Bibliotheek ? Ik kan niet begrijpen,

waarom Gij de fchriften van mijn Oom., waaruit Gij uwe Biographie zamenflaost niet alle aanhaalt, of dienen zij u in uwe kraam niet?

C 3

Sluiten