Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C*f5)

geluk was het voor mij, dat de Nagtgodin juist in volle Majefteit aan den onbewolkten Hemel' prijkte. Want elke palmtak, door den wind ritzeiend bewoogen, was voor mij, op het eerfte gezigt, de verfchijning van een Tijger en Paiv ther. Doch ik bleef vrij van vijandlijke aanvallen. Niet dan een foort van Kikvorsfchen, (/) op haare wijze zingend, kwam, uit de nabij gelegen moerasfen, mij om de beenen fpringen, waarvan ik ettelijke, in den ijver,met eene Donquixottifche kragt doorftak.

Eindelijk brak de Morgenftond aan: en nu gingen mijne Negers niet langer langs het ftrand, maar landwaards in, alwaar het bijna geheel moerasfig was, zo dat de lediggaande Negers, menigmaal, de fchenkels der draagers uit het . moeras moesten trekken, eer deze verder konden gaan. Dit veroorzaakte eene zeer ongemeen geparfumeerde lugt, vooral aangenaam, wanneer men, gelijk ik ten dien tijde, in 14 uuren niet het minfte heeft genuttigd. Tegen 9 uuren voor den middag kwam ik, eindelijk, in het Leger bij Ada aan.

Onze Krijgslieden ontvingen mij met gejuich. Eenigen hunner losten terftond de draagers af, brengende mij , in een galop, bij des Gou-

ver-

CQ Rana gïbbofa. hnn.

Sluiten