Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BEDENDAGSLIED. 143

I 't Is Bedendag. Nu ftaat u alles vry, ; Gy treedt, vervuld met zucht tot dwinglandy,Ten Kanzei op: men kan reeds uit de trekken jVan uw gelaat, een norfchen geest ontdekken: • Gy ziet in 't rond; 't hart, dat van hoogmoed zwol, Verlangt naar lucht;— het is der woordenvoL

De tong raakt los: men fpreekt een zegen uit Die meer gevloek, dan zegening befluit: tóen noemt zich zelf een Mofes, die in 't midden Van God en 't Volk geplaatst, God zal verbidden; Op dat Hy 't Land niet ten verderve leid: Dit 's de eerfte blyk van 'sLeeraars nedrigheid!

De gramfchap in het hart wel vast gezet, Geeft nu den toon aan 't uitgefchreeuwt gebedï

Men kan zich zelf in 't klaagen niet verzaden;

Een hele Lyst der gruwlykfte euveldaaden, Door Nederland, zo zegt de man, begaan, Vertoont hy Gode, en klaagt zyn'broeder aan!

't Gaat

Sluiten