Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

236 I1ET DANKBAAR WEESKIND,

Natuur, ö Godlyke Albehoeder,' Dreef my wel naar myn' lieve Moeder,

Ik fpeelde graag aan 's Vaders fchoot; Doch zonder het waarom te wee ten, Dan dat ik van hen, fpeelgoed , eeten.

En dagelykfche hulp genoot.

In deeze jonge onnoozle dagen, Wierdt, door uw altoos wys behagen,

Myn' lieve Moeder my ontrukt: Een weinig tyds daar na myn Vader. Geen Kind, dagt yder, hadt het kwaader.

't Wordt al te vroeg zo fterk gedrukt.

Ik zag de Buuren om my weencn, En liep 'er fpeelende onder henen;

Ik bragt myn Pop aan 's Moeders kift; Ik poogde haare wang te ftreelen; *k Verzogt dat zy met my wou fpeelen,

Daar ik niets 't minft van ftervcn wift.

Ik

Sluiten