Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

f

C * )

II. Het zal nu 'te bezien ftaan, op wien, bij welke geleegenheid, wanneer en door wien dit lied gedicht is. En dit is het onderzoek vcor mijn tweede deel gefchikt.

Het is bij mij zeker, dat niemand anders het voorwerp van dit lied kan zijn dan die Wilhelmus of Willem van Nasfau, Prins van Oranje, welken wij gemeenlijk noemen Willem den Eerften» de Grondlegger der Vrijheid, zoo als wij die tegenwoordig genieten, aan wien de Nederlanders* en niet minder de Afftamn lelingen van zyn Huis, liet zij die in de nederdaalende of zijde- linie hem beftaan, zeer veel verpligting hebben. Dit bewijs ik in het algemeen uit den gantfchen inhoud van het lied, dewijl daarin verfcheiden zaaken voorkomen, die vaii niemand anders dan van dezen Prins kunnen gezegd, en op niemand anders dan op hem,worden toegepast; niet dat ik hier door wil beweeren dat de gevoelens van Vrijheid, Vaderlandsliefde cn Godsvrugt, welke hij zelfs getuigd te V/:itten, want hij word hierfpreekende ingevoerd, dat, zeg ik, die gevoelens ook niet bij de volgende Wilhelmen, uit dat geflacht voort-. gefprooten, zouden te vinden zijn, Neen, dat zij verre! onze tegenwoordige Heer Erfitadhouder heeft die zelve edele denkwijzeomtréndzich,. Hoogstdeszelfs Gemalinne»en Vorftelijke Telgen aan den dag gelegt in zijne aanfpraak, den 28 Fedruarij laatstleden, aan H. Hoogmogenden gedaan, en door de gunftige beftelling van zijner Doorlugtigheids Hofdrukker, voor eene matige A s koop*

Sluiten