Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

( 209 )

en Africa aan alexander de groot onderworpen waren, werdt'er in deze landdreeken, behalven de moedertaal het Grieksch, zoo niet van allen gefproken, ten minden van allen verdaan. Ook zijn de Apostelen in alle die gewesten, waar zij naar christus hemelvaard het euangeli gepredikt hebben, deninwooneren verftaanbaargeweest, wanneer zij den Heidenen in de Griekfche en den Joden in de Sijrisch-Caideeuwfche taal den raad Gods aangaande hunne zaligheid verkondigden, .en dat die veelerlei (*) vreemdelingen, welken op het Pinksterfeest onder de toehoorers van petrus en de andere Apostelen waren, deze taal insgelijks verftonden, is, uit dien hoofde, allesfins waarfchijnlijk. O.n

deze redenen, kunnen wij de verkondiging van het euangeli aan allerlei volken, niet als het bijzonder oogmerk Gods, in deze mededeeling van vreemde taaien befchouwen. — Maar wat zoude dan het oogmerk van God hier in geweest zijn ? zonder twijfel, wilde hij daardoor de godlijkheid van jesus leer bevestigen , meer aanzien bijzetten , en deszelfs eerde verkondigers, als zijne wettige gezanten, alomme bekend maaken. Ongelovigen zouden hier door overtuigd

en de gelovigen in de godlijkheid der euangeli-leer bevestigd worden. Daarom zegt paulus tot zijne Corinthers: de vreemde taaien zijn tot een teeken, niet den genen die gelooven , maar den ongelovigen. En wederom: dienen

(vreemde) taal fpreekt, die (licht hem zeiven. (fj -

De vereerers van jes us wierden bijgevolg op het pinksterfeest vervuld met den H. Geest, en daar door bekwaam tot het fpreken van allerlei taaien, op dat de godlijkheid en hec aanzien van jesus leer verderkt en bevestigd zoude worden. " ■ Dit geleid mij

Tot de twede aanmerking: de gefchiedenis van de «#• der daaling des Geestes, en van het bejlaan der wonderdaadlge gaven , levert een bewijs voor de waarheid van deit christelijkcn Godsdienst.

Van

C*) Dat deze menigte grootendeels vreemdelingen waren , beeft de Heer barkey zeer waarschijnlijk! gemaakt Bibl. Uag. Cütsf. li: ?as.c. 2. pag. 336. £? feqq.

ltV i Cor. XIV: 22 en 4.

Pp a

Sluiten