Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 317 )

««den met een verbaazende menigte van naamen , welke voor de meeste Hoorers geheel vreemd zijn. Maat

daarenboven wij hebben met de ligging dier landen

volftrekt niets van uoode, dan alleen in zoo verre als men daar door moet opmaaken welke taal men daar fprak. Dat rnch is het eigenlijk , 't welk onderzocht moet worden. Wehkè taai fprak de Part her de Metier, en zoo al meer. Wi willen alleen in 't gemeen hier over aanmerken, dat omtrend alle bekende taaien van dien tijd hier opgenoemd

worden. Het Perfisch, het Sijrisch — het Kop.

tisch Sahidisch, ■ Latijn Arabisch

Sijrisch-Chaldeeuwsch (of de Joodfche taal) (*) —en de vóornaamfte Griekfche tongvallen. — Omtrend dit laatfte moeten wij onzen Lezer nog dit doen opmerken, dat de tongvallen der Grieken onbegrijpelijk veel van elkander verfchtlden. Iemand die de Griekfche heeft geleerd weet welke moeite het in heeft de verfchillende tongvallen ft) uit een te houden. Wie onzer zou het niet de crootfte moeite rekenen (wanneer hij al de Griekfche taal verftond) om de verfchillende tongvallen uit een te houden Hier van daan komt het zelfs, dat de grootfte kenners van "de Griekfche taal in ons Vaderland in 't eerst een Griek van onzen tijd uit Griekenland niet wel kunnen verftaan,

dewijl de tongval eenigszins anders is. In eene groote

menigte van Griekfche tongvallen dan en in de andere opgenoemde vreemde taaien fpraken de Apostelen.

Misfchien vraagt ons hier iemand hoe konden de

Apostelen een Elamiet (bij voorbeeld) in het Perfisch, een Mefopotamier in het Sijrisch aanfpreken? Hoe konden zij zoo op het oog den een van den anderen onderkennen, en weten welke elks moedertaal was? —

In onzen tijd zou men zulk eene vraag zoo zeer met behoeven te doen. Men kan toch nu al dikwerf de eene Na. tie van de andere aan de kleeding onderfcheiden. Maar dat was het geval in dien tijd niet. Meest ailen, ja allen, hadden zoo goed als ééne kleeding, vooral zij allen, die tot den foodfchen Godsdienst behoorden. — Waar aan dan

onderkenden zij die menfchen? Kunnen die verbaas-

de menfchen zich zeiven niet kenbaar hebben gemaakt? Zullen zii niet na 't hooren van dat vreeslijk geluid, waar door

zij

f) De Schrijver doelt hier zeker op't woord 9, waar

vedelleer vanvoorst onlangs handelde m ziju Uulegk. ettGodg. Magazijn II Stuk bl. 63. O) Dialecten.

ilr 3

Sluiten