Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

( 366 )

Zij begeert voornaamlijk van ons, dat wij den oneindigen, alraagtigen en alomtegenwoordigen God als Opperheer, Schepper, Beftuurer, Onderhouder en Rechter eereii, vreezen, dienen en gehoorzamen — dat wij onzen naasten liefhebben, zoo wel als ons zeiven, en deszelfs welitand ev^n zoo zeer ter harte nemen, als ons eigen welzijn —— dat wij alle menfchen Rijken of Armen, Vrienden of Vijanden, Bloedverwanten of Vreeraden ten allen tijde, niet alleen tegen alle onheilen befcliermen of daar uit verlosfen, maar ook dat wij met eene broederlijke liefde en menschüevjnde zorge zoo veel heil en voorfpoel zullen trachten voor te brengen als wij kunnen. — Dat wij recht jegens allen oefenen , en, zoo veel in ons is, eene goedgunftige en vredelievende verdraagzaamheid omtrend alle menfchen toonen.

En daar de arbeid dezer pligten moeilijk —— het bewandelen van dezen weg zWaar en lang valt, zoo voegt 'er de Godsdienst van jesus bij, dat God ons zal beloonen; dat hij ons reeds hier eenigmate den arbeid der liefde vergeldt dat, fchoon dit leven llegts eene voorbijgaande

fchaduw is, tijd en' eeuwigheid nogthans onaffcheideiijk aan elkander zijn verknolt —— dat wij het eeuwig leven zullen verkrijgen ,v en dat als dan onze lichaamen en zielen eene altijd toenemende gelukzaligheid zullen genieten! Zalige leeringen, die ons den weg tot de volmaaktheid hebben aangewezen! Zalige bevelen, die zulke belooningen met zich brengen!

Dat nu deze Christelijke Godsdienst, aangemetkt in deszelfs oorfpronglijke eenvouwigheid, eene leer is, onmiddelijk van God gekomen, en dat deze waarheden niets fabela?tigs in zich bevatten, kan, door een aaneengefchakeld be« wijs, uit de bijzondere deelen, niet alleen opgemaakt en grondig betoogd worden; maar wij hebben ook het getui. genis van God zei ven daar voor, die zich ten behoeve van je sus en zijne Apostelen overvloedig en duidelijk genoeg verklaard heeft.

De waarde van jesus Godsdienst prijst zich boven dien door deszelfs innerlijke goedheid aan. Wij bevinden, dat wij daar bij allergelukkigst leven, den dood gerust verwachten , met deszelfs vertroostingen ons in alle gevallen opbeuren, de moeielijkheden dezes levens het best veringen, en ons voor zeer veele onheilen beveiligen kunnen. Wij zien, dat het voor ons meer eeré zij, denzelven op beproefde gronden aan te nemen en te omhelzen, dan dat wij deze

won-

Sluiten