Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

D E

GODSDIENSTVRIEND»

$V°. 47.

Waar van het tegenbeeld de Doop ons nu ook behoudt, niet die eene aflegginge is der vuiligheid des Hchaams, maar die eene vraag is eener goede Confcientte tot God door de Opftandinge van Jefus Christus.

\ PETR. III: 21.

OVER DEN DOOP DER CHRISTENEN.

Dewijl er zo veele onder de Christenen zijn, die zich of ongelukkige of in 't geheel geene denkbeelden yan den Doop der Christenen vormen, zullen wij ons in dit Vertoog bezig houden, om die plegtigheid, bi) de Christenen in gebruik, in derzelver waaren aard voortedragen. J^citer zullen wij het thands niet uit alle oogpunten befchouwen. Om op eenen goeden grond te bouwen , zullen wij vooraf de bovenftaande woorden van petrus wat breeder toelichten, In het begin van het vers verfchillen de Geleerden reeds over de waare lezing (*)• - Gelukkig, dat het in de zaak volftrekt geen verandering baart, wat wi] ook verkiezen. —• Er wordt van den Doop gefproken en die hier genoemd wordt het tegenbeeld (+) van den Zondvloed — Men is het in het geheel niet eens (§) over de betekenis van^dat

(*> Q vel S. — Postcrius prteferimui.

ö) Conf^oufiVS in Cur. fif rosenmuLLSR m Schollts. XI. deel. Aaa

Sluiten