Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C '4 )

veronderftelle men, dat men alleen de vertaalden van dié fchriften in ons vaderland heden bezigde. — Wanneer dan iemand na twee honderd jaaren, als de originelen bij toeval verloren geraakt waren, tot een anderen , welke zich op aan haalingen uit die vertaalde fchriften beriep, zeide het is niet wel en genoegdoende bewezen, dat die vermalingen echt zijn , om dat juist geen Schrijver van dien tiid aan getekend heeft, dat die vertaalingen echt zijn. — Zou men "hem dan met te gemoet voeren, dat het tegen alle gronden van menschkunde zoude aanlopen te veronderftellen , dat 'er onder die menigte, welke in den tijd van den oorfbron» dier fchriften leefden, niet een of ander zou onderzocht hebben naar de waarde dier vertaalingen: en dat lieden, welke die waarde kenden, daar van niet zouden gefproke'n hebben? Ter toepasfing vragen wij dan alleen: zou het

ook niemand in den tijd der Apostelen in den zin gekomen zijn,zulke vergelijking te maaken? En zij, die 'er van nisten, — weten moesten, — gelijk de Apostelen, zoud-n die 'er niet van gelproken hebben? Derhalven dat de menfchen van dien tijd niet gewaarfchouwd hebben tegen de vér-' taaling, en daar van alle, als van een echt (luk, hebben °e*

bruik gemaakt, zijn zij de beilisfendfte getuigen. *

• Evanson vervolgt in 2ijne redenering: „ Nu moet men „ oordelen, wat een verftandig, en opregt onderzoeker Stfi „ voelen moet, wanneer hij ondervind, eerst, dat'er geen „ voljirekt geloofljaar getuigenis aanwezig is, Set,Zodanig „ een Hebreeuwsch Euangeli van mattheus, van den „ tijd af, dat het veronderlleld wordt gelchreven te zijn

„ tot het tegenswoordig uur toe, ooit gezien is." 1—

Wanneer wij bij deze woorden nadenken, gevoelen wij dat de eisch van evanson juist gefchikt is, om alle ge'.

fchiedkundige waarheid op losfe fchroeven te Hellen.

Hier blijkt toch , wat hij door wel en genoegdoende bewezen verftaat: namenlijk een voljirekt en uitdrukkelijk getut, gems. — Maar waar is een voljirekt geloofbaar en uitdrukkelijk getuigenis, dat homerus den Ilias gemaakt heeft ? — De getuigen, die wij hebben, zijn van heel wat laater tijd, dan toen homerus leefde? Maar laat ons bij dat voorbeeld blijven, 't welk wij zo even hebben aangehaald. Indien de werken van priestley, evanson en steinbart tegenwoordig in ons Land in zulk eene agting geraakten, als de fchriften der Apostelen in den eerften tijd. — Indien wij alleen de vertaalingen gebruikten en de originelen wegraakten en men na eene eeuw of twee een

vol-

Sluiten