Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C '8 )

ze allen toefchikt tot hei! en't best van zijne fchepzelen. f*) — D.t,denk ik.is het grondbewijs voor gelatenheid, en de groote bron van troost. Dit behoort o^e^eerlle Üe&iking te zijn, en ons opperst fFeuuzel. - 't Geen hij, die onbegrensde Liefde is, verordent,, moet goed wezen: 't geen hi|, die omeilbare Wijsheid is, wil en fchikt, moet voegzaamst en best zijn.

Dit maakte den Hoogenpriester el iffil, onder bet flreng-

He vonnis-., uat ooit wierdt uitgefproken. mj is

" d/. ''E,ERE- En hoe grievende het valt voor de men" fch,cllJke natuur, en hoe veel hartelijker nog voor de „ vaderlijke liefde; 't is onbetwistelijk goed, ja best. En „ daarom berust ik er ootmoedeüjk in." Ik kusch het ijze„ lijk betimt, en zeg uit den grond mijner ziele: Hij doe „ wat goed is in zijne oogen." (f)

Dit bedaarde het' treuren van job, in alle deszelfs onverseli.ricel-.jke verdrieten. De Heere, zeide hij, heeft mij rijkdom en milden voorfpoed gegeven; de Heere heejt alles weder weg genomen. Roofzuchtige handen en krijgvoeren Ie elementen waren enkel zijne werktuigen. Ik onderwerp mij derhalven, ik aaubid , ik loof zijnen heiligen Naam. (§} J J °

Deze__vertroosting flerkte den menfche christus jesus, bij de aannadering van zijne onbezeiiijk — bittere zielltrijderi en doodsangfren. De drinkbeker, welken, niet «mijne geuagene en onverzoenlijke vijanden, maar mijn Vader, door hunne handen, mij gegeven heeft, zal ik dien met drinken? was zijn woord. (**) Zo is het uw Vader, uw heni-ilehe Vader, die u met eene eeuwige liefde bemint, welke eenise gal onder het goede deel des leevens heelt gemengd. Gevoelig en overtuigd van de weldaadige Hand, uit welke de bezoeking komt, moogt gij altijd eerDiedi^ uwe hoofden buigen in geduldige onderwerping, en bedden met den voortreflijken,doch verdrukten «lleenheerfcher hiskia: het woord des Heer en, dat gij wegens mij gefproken hebt, is goed. fff)

Het verdient uwe bijzondere aandacht, dat'er <:een Utaraeler is, welk God, in de heilige Schrift zich meer toeëi-

£) Joh V: 6. Hér. XII: 9, io. 6W '

Ctt 1 Som. III: 18.

C§> Job I: 21.

C"0 JoSn. XVIII: ,t.

(ft) 2 Kon. XX: 19.

Sluiten