Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C =3 )

die elke zwakke hope aangrijpt, welke hem bijgeloovigheid kan verfchafFen, en op het zelfde oogenbiik beefc, wanneer hij op zijne misdaaden te rugge ziet. Doch gezegend zij God, die het leven en de onverderflijkheid heelt in een klaar licht gefteld; die dezelve niet alleen geopenbaard, maar verzekerd heeft voor de Godvruchtigen; en door den dood en de opftanding van jesus christus ons heeft wedergeboren tot een levende hope, tot eene onbevleklijke, onverwelkelijke en önvErderflijke erfenis. Deze hope wordt te regt in de II. Schrift genoemd, het anker der ziel, dat ze. ker en vast is. Want, het geen een anker is voor een fchip, in eenen duifteren naatj op eene onbekende kust en op

eenen woedenden Oceaan het zelfde is deze hope voor

de ziel, wannéér de tegenheden der wereld haar beltonnen. In gevaar geeft zij gerustheid, en, in algemeene dobbering, verfchaft zij een vast punt van ruste. Zij is de alge¬

meene troofteres, de fpringveer van alle raenfchelijke bedrijven. Op het toekomende hebben de menfchen beftendig het oog gevestigd. Door het vooruitzigt van eenig aangelegen goed aangemoedigd, flooven zij zich af, hun gantfche leven lang; en het is, niet zo zeer het geen zij nu zijn, als het geen zij hopen naderhand te worden, dat leven geeft aan hunne bevve^inien, hunne aandacht vestigt en hunne vlijt prikkelt. Heeft nu , in de gewoone bezigheden der menfchen, de hope zulk eene kragt, zelfs wanneer haar voorwerp, noch zeer aanmerkelijk , noch genoeg zeker is ——— wat werkingen mag men 'er dan niet van verwachten , wanneer zij op zoo heerlijk een voorwerp

rust, als een leven van onlterflijke gelukzaligheid? ~>

Hieldt men zich aan deze hope vast, met die volle verzekerdheid, welke het Christelijk geloof vordert, zij zou, in der waarheid, alle menfchelijke ellenden niet blootlijk verügten, maar zelfs tot niet doen verdwijnen; zij zon onvergenoegdheid verbannen, droefheid fmooren en het gevoel zelf van pijn opfchorten.

Sta mij toe u nog een middel aan te prijzen,

't geen eigenlijk niet het mijne is, maar 't berigt van een' Apostel, door Gods Geest aangeblazen; indien iemand in lijden is (zoo luidt het) dat hij bidde. (*) Wel aan dan, Drukgenooten! viiedt tot God in alle uwe regenlieden; ftort uwe klagten voor hem uit in ootmoedige

(*) Jac. V: 13.

Sluiten