Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

( 30)

alwaar menfchen en beesten in een vertrek waren: maar gelijk de Herberg, waar van h a ss f.lq u i st fchrijft en in welke de paardeftallen in de benedenfte vertrekken waren, terwijl de bovenfte gefchikt waren voor de menfchen. ——■ Wij onderzoeken thands niet, of maria en joseph waarlijk in zulke een ftal zijn geweest, dan of wij door kribbe een fpelonk moeten verftaan. Dit intusfchen is zeker, dat het woord door kribbe vertaald eigenlijk eenbeesten— kribie betekent (*).

Een opmerkfaame zal wegens het te vooren aangemerkte over de herbergen in defteden endierhalven ook over dit laat-

fte geval ligtelijk denken herbergen in onbewoonde

ftreeken in het Oosten kunnen wij begrijpen als beftaanbaar met de herbergzaamheid der Oosterlingen: maar herbergen in de lieden, hoe zijn die mooglijk bij een volk, alwaar elk

'er zijne- eer in fielt om een vreemdeling te herbergen. •

Doch dit laat zich zeer wel vooral van het Joodfche land in dien tijd begrijpen. Eenige keeren in het jaar moest al, wat maar kon, naar Jerufalem. Men reisde dan in gezelfchap

(bij Caravanen.)(-\) Wanneer nu zulk een gezelfchap

(Caravane~) in een ftad moest overnagten, was niets gefchikter en gemakkelijker, dan dat 'er een algemeene verblijfplaats was. Het zou immers lastig geweest zijn, als de eene hier de ander daar gehuisvest moest worden. ■■■ JWen zou 't al dikwerf niet eens geworden zijn, wien men begeerde: —— En in 't optrekken den volgenden dag zou het zeer veel ongemak veroorzaakt hebben, indiende een hier en de ander daar gehuisvest ware geweest.

Wij vertrouwen , dat door het een en ander, 't welk wij aanmerkten, die plaatzen van onzen Bijbel, waar in van herbergen gefproken wordt, in het waare licht zullen zijn gefield. Echter is 'er eene plaats, welke wij bij deze gekheid niet nalaten kunnen eenig nader licht bijtezetten. (§) Zij luidt aldus: Door middel uwer boden hebt g/;(sANHE»ib Koning van Asfyrien) den Heere gehoond en gezeid: Ik hebbe met de menigte mijner wagenen beklommen de hoogte der bergen, der zijden Libanons: ende ik zal zijne hooge cederboomen en zijne uitgelezene denneboomen afhouwen en zal komen in zijne uiterste herbekge, in het woud zijnes fehoonen velds.

Om

(O Luc. XIII: 15. (t) Luc. II: 44. ($) 2 Kom. XIX: 53.

Sluiten