Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 37 )

den berg, en riep hem tot zich op de fpitfe, alwaar God hem de laatfte bevelen gaf tot 's volks heiliging en der piiesr. teren zelve, en verder tot ieders waarschuwing en narigt.(*)

Zie daar de aandoenlijke voorhereidlels! En waarlijk , bereidt men zich gewoonlijk tot plegtige omftandigheden, vooral om in de tegenwoordigheid van koningen en vorften te verfchij* nen,hoe veel meer betsamlijk is het dan, zich te bereiden en tefchikken om den Heere,zijnen God, te ontmoeten ! En zijn deze dingen zoó,hoe billijk en reclumaatig was het dan,dat gantsch Israël tot zulk eene buitengewoone groote plegtigheid, terwijl de Heer met de doorluatige blijken zijner hemel majesteit was neergedaald, om hen in zijn verbond op te nemen, ook op eene buitengewoone wijs wierd opgeroepen!

En wat gepaster dan zo veel ontzachlijke toerusting, bij een volk van zulk een karakter, en bij de erondvesting van hunnen Kerk- en Burgerftaat! Na dat dit alles vooraf gefchied was, doe fprak God, doe gaf hij zijne wet. Hier was het in, de daad, eene ftem van God, en niet eenes menfchen! Hier was het niet alleen , hoor Israël, maar, hoort gij hemelen, en neem ter ooren gij aarde, want de Heere [preekt.

Nooit zag noch hoorde deze hemel en deze aarde zulk eene grootfche vertooning. Hier was het eindelijk , Ferzathw mij mijne gunstgenoot en, die mijn verbond maaken met ofte. raude.De hemelen verkondigen zijne gerechtigheid (f Hoe God fprak, hoe hij eene ftem in de lugt gevormd hebbe, behoeven wij niet angstvallig uitteleggen en te onderzoeken , danr hij het is, die de deelen en weiktuigen van ftem en fpraak gemaakt heeft, daar hij het is, die fpreekt en Let is 'er, die gebied, en her ftaat 'er.

Het zij ons genoeg aan te merken, dat 's Heeren ftem, Waarmede Hij heeft gefproken, ons leert, hoe Hij zi;ne wet gegeven hebbe, zoo naamelijk, dat Hij ze zelf, van woord tot woord, met luide ftem, voor de ooren van het geheel Israëlitisch heirleger, heeft uitgeroepen, ja zo, dat elk, hoe ver af, het hooren en verftaan kon.

Hoe achtbaar, hoe doordringend,hoe gedugt en ontzachverwekkend dit geluid , deze taal des hoogen Wetgevers, in Israëls ooren moet geklonken hebben, is ook hieruit af te nemén, dat het volk bad,om ze niet weder te hooren.(§)

Alles was met een heiligen fchrik vervuld. Verfchrikkiugen Gods waren op de gantfche Vergadering gevallen.

Zo betaamde het bij 's Heeren zo plegtige en majestueufe tegenwoordigheid. Was

C') Va. 2 r—15. (f) En waar word niet op Sinai te rug gezien 1 wat al verhevenheid en kragt 1 Dcut. XXX111: 2. ?,■ Pf. LXVJII: 9, li. LXXVI: 8. 9. LXXV1I. LXXVM. enz. (§) llebr.Xll: 19. E 3

Sluiten