Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(63)

Laat ons, mijne Vrienden! toch veel aan deze gewigtige waarheid denken ; laat ons dezelve diep in ons verftand en hart drukken; Iaat dezelve voor ons eene geduurige les wezen, waar door wij ons zonder ophouden voordellen , dat de verdrukkingen en rampen de heerlijkheid der ge» loovigen zijn, op dat, indien het Gods wil mogt zijn, ons dezelven toe te zenden , wij niet neêrgeflagen of moedeloos mogen zijn, maar daar in eene eer ftellen, en dezelve dragen met eenen moed, die beandwoordt aan de zorg, welke paulus zoo dikwerf voor ons in zijne brieven I ' laat doordraaien, om ons door zijn voorbeeld en door zij* 11e leer te verlferken. Laat ons dan niet vertraagen in de belijdenis van het euangeli , ter oorzake van de wederwaardigheden , welke ons daar in kunnen ontmoeten. Laac I ons voor niets vervaard wezen ; laat ons altijd oprecht wandelen als voor het oog van God, die onze gangen ziet, die het bewind voert over alle de gebeurdtenisfen der wereld , die dezelve met eene aanbiddelijke wijsheid beftuurt, die hen bewaart, welken hem dienen, en die hen eindelijk i -genadig beloonen wil, niet alleen verre boven hunne deugden, maar zelfs verre boven hunne gedachten, hunne verwachtingen en hunne begeerten. — Laat ons de rivieren navolgen , deze worden niet moede in haaren langen loop , ï fchoon zij dikwijls op haaren weg, rotzen en dijken onti moeten, fchoon zij dikwijls met verbaazende watervallen moeten neêrltorten; zij vorderen nogthands altoos, en ftuI wen haare baren de een na de andere voord, tot zij alle ! komen in die groote vergaderplaats, daar zij henen moeten, I in dien wijd uitgeftrekten oceaan, welke ze alle in zijnen I fchoot ontvangt. Laat dan onze werkzaamheid en onze { volharding daar aan gelijk wezen ; en iaat ons, daar wij j eens uit den fchoot van God, die de bron van ons beltaan f is, zijn uitbegaan , genadig tot hem ftreeven , en welke t hinderpaalen wij ook op onzen weg mogen ontmoeten, deS zelve kloekmoedig overftappen, en ons nooit ophouden of l te rug keeren ; maar fteeds onzen loop voordzetten , tot 1 wij komen tot dien oneindigen oceaan van gelukzaligheid | en blijdfchap, welke ons te wachten ftaat boven de heme,| len. — Laat ons veel denken aan de onwaardeerbare beI looning, welke God voor ons heeft weggelegd , en wij zul] len ongetwijfeld volharden, in zijne waarheid en in zijne J liefde. Alle de aanvallen van het booze zullen niets op ons j geloof immer vermogen. — Want, mijne Medechristenen! f zou men zeggen konnen , dat oudtijds menfchen om eene

een-

Sluiten