Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Oosterlingen leeren kennen en daar uk dan ook een.' en andere Bijbelplaats ophelderen.

De fchuuren der Oosterlingen 'zijn geen gebouwen b'oven den grond, gelijk bij ons. Neen!de koornfcauuren der Oosterlingen zijn putten, kuilen in den grond, waar in men het koorn bewaart, en wel veele jaaren aan een. Onder op den bodem van die kuilen legt men eene goede meenigte iïroo: — daar op dan het koorn: — en eindelijk dekt men de opening, die doorgaands maar klein.is in vergelijking van de gegravene put of kelder,.zo zeker toe, dat'er niets, vooral geen nat — kan indringen. ——

De eerfte getuigen, welke wij voor deze gewoonte aanvoeren, zijn twee oude Schrijvers (*), van welken de laatfte ook varro aanhaalt, die berigt geeft van koorn.'t welk op die wijs vijftig iaS honderd jaaren bewaard is geworden.«— Doch thands bepaalen wij ons niet tot getuigen van vroegeren tijd. —

Uit de Reisbefchrijvers zullen wij eenige plaatfen aanha- I len , waar door onze Lezers een juist denkbeeld van de Oosterl'ehe fchuuren krijgen kunnen.

Chardin Cf) fchrijft: „ De Tarten begraven hunne „ graanen en voeder, gelijk alle de Oosterfche Boeren doen, „ in diepe kuilen, die zij amber noemen, dat is te zeggen, „ magazijnen of pakhuizen, welke zij zo gelijk bedekken, „ dat men niet zien kan, dat men de aarde verroerd heeft. „ — De Tarters graven deze kuilen in hunne tenten of in

het veld." i

Bij shaw (§) lezen wij: „Na dat het koorn gewand is, ,, brengen zij het in Mattamores, of onderaardfche voor-

raad fchuuren, gelijk dit voorheen de gewoonte was bij an„ dere volken. Twee of drie honderd dergelijke zijn'er fom„ tijds bij elkander." — Uit deze laatfte aanmerxing kunnen wij best begrijpen, het geene die zelfde Schrijver in de eerst aangehaalde plaats fchrijft van een kasteel, V welk de Mattamores bewaart, welke onder de wallen liggen. — Verfcheidene Schrijvers vindt men in de Aantekening op shaw hog aangehaald, welke van deeze Schuuren handelen.

Door hak.mer („)worden nog andere plaatfen vooral uit Réisbefchrijvers aangehaald,terwijl ons dit in hem mishaagt,

dat

'■ O) II i e t i u s de Bello Afric. & p L i n i u S Ilift. Nat. L. XVIII. c. so. (-f) Reis, I D. tl. 89.

• *(§) Reis, I. D. 01. 18. en 215. . CO Wmn. over het Oost. IV D» U, 159.

Sluiten