Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 211 )

dnt hij cwijffelagtig fpreekt van eene zaak, welke door alle Schrijvers eenllemmig bevestigd wordt. Wij willen alleen nog maar naar een getuigen van lateren tijd (*_) heen wijzen, die volmaakt met chardin inlfemt.

Vraagt men nu, waarom de Oosterlingen zulke fchuuren gebruiken? Veele meenen,dat zij het doen om hunnen voorraad voor de vijanden te beveiligen , of ook voor hunne Overften ("hunne Beysj, welke hen van hunne graanen zouden berooven. — Het is zeker, dat men om die redenen de kuilen zoo veel mogelijk onzigtbaar maakt. Doch deze redenen kunnen de waare redenen niet zijn , dewijl men geene andere voorraadfchuuren in het Oosten kende — zelfs niet midden in 't land, waar men voor geen vijand te vreezen had"— ook niet in zulke landen, (gelijk voorheen onder de Jooden) alwaar niemand zijn goed behoefde te begraven om 'er niet van beroofd te worden. ■

De waare redenen zijn dan voor eerst het eenvoudige, 't welk bij de vroegere maatfchappijen in alles is aan te treffen. Wat was toch natuurlijker, dan dat men,eer men aan 't bouwen van Schuuren boven den grond dacht, eerst het eenvoudig uitgraven van holen beproefde. — Hier komt nog bij, dat het koorn nergens beter bewaard blijft, (f) - Uit deze laatfte aanmerking blijkt, dat wij geenen prijs hoe genaamd ftellen op het berigt van zeker iemand (§) , die zegt dat het koorn zeer bederft in zulke dompige plaatfen, •—- Zoo redeneerde die Schrijver uit zijne denkbeelden en zoo zullen onze mseste Lezers in den eerften opflag redeneeren, — Waarlijk! wanneer wij naar de gefteldheid van onzen grond wilden redeneeren, zouden wij geen ander befluit kunnen maaken, dan dat het graan in zulke hooien bederven moest. Doch de Schrijvers berigten ons uit den mond der bewoonderen van dat Land, dat het koorn zelfs wel tot honderd jaaren toe in zulke kuilen bewaard blijft. Waarom ook zou het koorn onder den grond gevaar van bederf loopen, indien de plaats, waar men de putten graaft, maar hoog genoeg is, zo dat men in het graven geen water ontdekt. Laage plaatfen zullen de Oosterlingen wel zekerlijk niet verkiezen, maar de hoogfte plaatfen! ——

Een

*(*) G. host Nachrkhten von Marokos md Bes. y. mich. Or. Sibl. XIX. Th. f. 72. (f) Zo redeneert ook fa b e r bij h arme r I B. il. 162. welks

nog verfcheidene getuigenisfen aanhaalt. | .

gS) P i t t $ bij h a r m e r.

Dd 3

Sluiten