Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

( s36 )

den van de wereld. — En hier uic kunnen wij zeer wel afnemen, wat haar bewogen heeft om naar Sodom weder te keeren.

Deze gedachte wordt aanneemlijker, als wij zien,in welken zin cie Zaligmaaker (*) het voorbeeld van loths huisvrouw bezigt.

Hij vermaant hen, die zich binnen Jerufalem, tegen den tijd der laatfte belegering binnen de ftad ophielden, op de aannadering van de Komeinfche krijgsheiren , huisraad, huis en ftad eensklaps en in haast te verlaten, zonder door iets, dat hun lief en waard mogte zijn , en dat men zonde willen redden en mede nemen, zich wederom der»airds te laten trekken. Zo luid zijne taal: In dien zelfden dag , me op het dak zal zijn en zijn huisraad in huis, die kome niet af, om den zeiven weg te nemen : En wie op den akker zal zijn, die heere desgelijks niet naar het geene , dat agter is (f). Deze vermaaning heldert hij , om dezelve te meer kragt bij te zetten, ook cp door eee Bijbelsch voorbeeld , zeggende gedenkt aan

het wijf loths ! ■ Wil de groote Menfchenvriend

niet daa: door te kennen geven : laat geene wereldfche goederen .u weder naar de ftad trekken , even gelijk de vrouwe van loth daar door weder naar Sodom gevoerd wier.!t , op dat gij niet , gelijk zij, ellendig moogt omkomen.

Mij dunkt, deze verklaaring vloeit uit den famenhang, en is dus met het verhaal van moses allesfins overeenkomende.

Maar wat wil het zeggen, dat deze vrouw een zoutpilaar wierd?

. De gedachten, hier omtrend, zijn zeer verfcheiden, fommigen willen, dat loths huisvrouw, door den vuurigen regen, die uit zwavel en falpeter beftond, onvergangelijk

is gemaakt; zo dat ze onder het bereik van dezen

r«-

"("*) Luc. XVII: 3a. (\)-Luc XVII: 31.

Sluiten