Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

< 25i )

rechtigheid. (*) Vraagt iemand waarom ons de woorden

— die mijn volk opeten — bedenkelijk voorkomen. Die rede is geenszins daar in gelegen, dat zij minder Itrooken met die verklaaring der laatfte uitdrukking, Welke wij omhelzen: maar om dat ze onbeftaanbaar zijn, met den geheelen inhoud van den Pfalm. «*■*■ David toch klaagt in dit Lied, even gelijk hij meer deed (f), over de bedorvenheid van S menschdom. Daar mede nu doelt hij niet zoo zeer op vreemde volkeren, maar op de Joden. Bij voorbeeld, als hij in onzen Pfalm zegt: — „ daar is niemand die goed „ doet. God heeft uit den hemel nedergezien op de men,, fchen kinderen om te zien of iemand verftandig ware, die

„ God zochte." — Dan ziet hij zeer Zeker vooral

op het Joodfche volk. Doch in dit vers zou hij zijn volk,

■— de Joden — hier van' onderfcheiden. Dat toch

God door zijn volk de Joden altoos verftaat, kan géén Bij-

belkundige tegenfpreken. Over de verdorvenheid van

dat volk dan klaagt david in het bijzonder, en hoe zou hij dan telfens kunnen zeggen — zij verdrukken mijn volk-,

- Sommije zullen wel denken, dat door Gods volk hief zouden verftaan worden die weinige Godzaligen , die 'er nog overig waren. Maar die worden nooit zoo benoemd. Altijd betekent Gods volk, in het O. T. de Joden. Wanneer de braven die verdrukt werden , onderfcheiden worden , heten zij — zachtmoedigen , ellendlgen , en zo .al meer.

Alle die gemaakte zwaarigheden verdwijnen , wanneer wij vertaaien , gelijk men letterlijk doen kan — mijn volk eetende eet brood, maar zij roepen den Heere niet aan. Op zulk eene wijs is alles eenvoudig — hangt alles

natuurlijk te ("amen. De Dichter klaagde over de alge-

meene verdorvenheid bijzonder van zijne Natie — daar op laat hij nu volgen — hebben dan die werkers der onge» rechtigheid in het geheel geen kennisfe ? (§) Hier op antwoordt Hij iti Gods naam. Neen! kennis moeten zij in het geheel niet meer hebben: want mijn volk eetende (gedurig — van tijd tot tijd) eet wel brood (Ipijs): maar

zij

CO y. mich. tV. Bibl. 11. Th. S. 24a. & o a »0ss1 Specimenfbr. Lect. p. 64. (f) Pfalm XII.

$$) yy hic non fijrnificat poenas iare.

Ii a

Sluiten