Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1

( 252 )

zif roepen God niet aan. Op zulk eene wijs vinden

wij in deze klagte overeenftemmingjinet de klagten van anderen. Bij voorbeeld bij jesaias (*) lezen wij —

,, een osfe kent zijnen bezitter, en een ezel de kribbe zijnes : „ Heeren: maar Israël heeft geen kennisfe , mijn volk en „ verltaat niet." Dat gebrek aan kennis wordt daar ter plaatfe ook toepasfelijk gemaakt op het niet erkennen van Gods goedheid daar in betoont, dat het onderhoud van

Hem kwam.

Onze david zegt dierhaiven hier ter plaatfe zeer eenvoudig — Israël was zoo (legt, dat het van tijd tot tijd wel alle onderhoud van God ontving: maar in het geheel

daar bij aan God niet dacht — God niet aanriep zoo

betoonde dat volk geheel zonder kennis te leeven , zelfs die kennis te misfen, welke men bij 't redenloos fchepfel aantreft. .

Gave God nu, dat 'er geene rede ware , om ook van een groot deel Christenen dezen klaagtoon aan te heffen — dit volk heeft in V geheel geene kennis van God ■ iNTeen ! zij genieten wel beftendig hun onderhoud van Mem: maar zij roepen Hem daar bij niet aan. Zij danken God niet, dat hij hun dat voed fel — die fpijs en drank heeft verleend — zij roepen hem om zijnen ze>gen niet aan. ———

Misfchien wel denkt een eenvoudige, dat wij het gelaat van het Christendom te akelig tekenen, wanneer wij zulke klaagtoonen aanheffen. Intusfchen is niets waarachtiger dan het geen wij hebben opgegeven. — Wanneer men met andere landen eenigzins bekend is, weet men, hoe de wellust en weelde het bidden en danken bij het gebruik van fpijs en drank grootendeels reeds verdreven heeft. Ons Vaderland is wel nog zoo zeer niet verbasterd : maar echter breekt dat kwaad hier en daar in hetzelve reeds aanmerkelijk door —- en — wie weet — wanneer Hoofden des Volks voorgaan — hoe ras dit kwaad geheel Nederland zal befmet hebben ! -■ ■

Misfchien zijn 'er, welken zich inbeelden, hier mede zulk een groot kwaad niet te bedrijven, dat zij het bidden en danken nalaten, daar zij zulks alleen nalaten om van zekere menfchen — van verheven Geest, gelijk die zich noemen, — niet befpot te worden, — of ook om de Mode te vol:

gen,

C) lloofdjl. u 3.

Sluiten