Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Heeren tempel zijn deze! (*)l\Taar ach! ook de irare kwam, wanneer de voorzegging der eeuwige Waarheid vervuld wierdt: voorwaar zegge ik, hier zal niet een fteen op den. anderen gelaten worden, die niet afgebroken zal worden, (f) En 't was niet te vergeefs, dat de eeuwige Liefde , dewelke in christus jesus was, wanneer hij kort voor zijnen dood naoij Jerufalem kwam, en de ftad zag, over haar weende en zeide: och ! of gij ook. bekendet, ook nog in dezen uwen dag, het geen tot uwen vrede dient! maar nu is het verborgen voor uwe oogen. IVant daar zullen dagenover u.komen, dat uwe vijanden eene begravinge rondom u zullen opwerpen, en u zullen omsingelen, en u van alle ziiden benauwen: en zullen u tot den grond toe nederwerpen, en uwe kinderen in u: en zij zullen in u den eenen fteen op den anderen fteen niet laten , daarom, dat gij den tijd uwer bezoekinge niet bekend hebt. (§j Jerufalem, Jerufalem ! gij die de Profeten doodt en fteenigt, die tot u gezonden zijn: hoe menigmaal heb ik uwe kinderen willen bij een vergaderen ,gelijkerwijs eene hen haare kiekens bi) één vergadert onder de vleugelen, en gijlieden hebt niet gewild! ziet uw huis wordt u woest gelaten: (*) en Jerttjalem zal van de Heidenen vertreden worden,tot dat de tijden der Heidenen vervuld zullen zijn. (|) Vreeslijk is het te vallen in de handen des leevendigen Gods. (**) God laat zich niet befpotten; want zo wat de mensch zaait, dat zal hij ook maaien. (§§) .

Wat alle deze fteden en volken hebben ondervonden, dat zult gij ook ondervinden, mijn Vaderland! wanneer gij de zonden dezer fteden en volken als naijvert ; wanneer gij, bij bet helder licht , het licht des Euaugeliums, dat in u fchijnt, blind blijven, en voor alle opwekkingen van boetvaardigheid uwe ooren, en uw hart zult fluiten. — Volhardt ge in uwe zonden, God zal tn zijnen toorn tot u fpreken, mijn Vaderland! en in zijne grimmigheid zal hij »

verfchrikken. Hij heeft u op menigerlei wijze, door

duizend ftemmen, ter bekeering laten lokken — wat! ..God zelfheeft u gebeden! maar gij, gij zijt voortgegaan in uw«

god-

(*\ Jcrcm. VII: 4, (f) Malth. XXIV: 2. r§) Luc. XIX: 41-44C) Luc. XIII: 34, 35(i.) Luc XXI: 24. r«) llebr. X: 31Wvi:?.

Sluiten