Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

land! dat ik 'uwen rijkdom in armoede» «wen overvloed in gebrek, uwe heerlijkheid in fchnnde, uwe pracht in naaktheid, uwe weelde in honger moet zien veranderd; — dat ik geween in plaats van vreugdegalmen , weeklagten van wanhoop in lteê van dartele gezangen, fchreien en frikken voor fcherts en moedwil moet hooren! —,— En zeker, è mijn geliefd, op mijne ziel liggend Vaderland! gij zult deze ellende ondervinden, waaneer gij de zonden langer dragen, en op u wilt laten rusten, die dag en nagt tegen u ten hemel 1'chreeuwen: ja, wanneer uwe ongerechtigheden nia minder, en uwe goede daaden en deugden niet dagelijks meerder worden: wanneer uwe listen en bedriegerijen. uwe liefdeloosheden en lasteringen, uwe ontuchtigheden en overfpelen , uwe huislijke twisten en beroerten , uwe vijandfchappen en onverzoenlijkheden, uwe pracht en geldzucht, uwe verkwistingen en knevelaarijen, uwe zo verre gaande hoogmoed, en uwe liefde tot gemak, de moeder van duizende ongeregeldheden; wanneer deze én andere openbare en heimelijke ondeugden, wanneer deze niet van u wijken ; wanneer ze dieper wortelen in u fchieten en haar hoofd geftadig hooger en ftouter verheffen; dan zullen geene >Leeraaren, geene aalmoesfen, geene gebeden en traanen u behoudèu, en den opgeheven arm van den lang genoeg verfchoond hebbenden rechtvaardigen Rechter, van uwe.fteden en dorpen, uwe velden en koornakkers, uwe Ouders en landlieden kunnen afwenden; — Ach 'er zijn tijden, wanneer f.e/egd wordt: bidt niet voor dit volk ten goede; want, of zit fchoon vasten, ik zal naar haar gefchrci niet. hooren,. en,of zij fchoon brandoffer en f pijsoffer -offeren , ik zal 'er geen welgevallen aan hebben, maar door het zwaai d en honger , en door de pestilentie zal ik ze verteeren Bidt niet voor dit volk, en heft geen gefcLrei noch gebed voor hun op; noch loopt mij niet aan , want ik zal u niethooren; (\) ter tijd, als zij over hun kwaad tot mij zullen roeper. ($) Wanneer ik 't boos gedierte manke,, door het land door te gaan; of als ik het zwaard* breng- over dat zelve land ; of als ik pestilentie in ,dat zdve land zende, en dan Noacii, daniel en job in .het midden des zeiven waren , zoo waaragtig als ik .leeve , fpreekt ... swbnsd p de

C~) lerem. XIV: Jt, 12. ff) 'Jerem. VU; 16. §P ferem. XI: 14.

Ll 3

Sluiten