Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

078 )

„ der volmaakte rechtvaardigen overgegaan , mijne mede-

' broeders aldaar te verwachten. 't Is waar, zijn

' lichaam zal nu in- en ter verdervenisfe gezaaid worden; " maar het is , mag hij zeggen , om in onverdervelijk-

heid, in onftervelijkheid , in heerlijkheid, wederom te

" worden opgewekt. 't Is waar , hij ziet eene om-

" wenteling , eene verandering , te gemoet, zoo groot, „ zoo beflisfend , en van zoo gewigtige gevolgen , dac

davids verwisfeling van zijnen herdersftaf met den " Koninglijken fcepter, 'er geen voldoend voorbeeld van " opleveren kan; maar hij mag zeggen: Ik onderga eene

omwenteling en verandering , tot genot van eeuwige

' zaligheid , van zalige heerlijkheid!" Wat dunkt u

van die taal? —— Welke zaligheden voor de geenen, die God vreezen ! Wie zal daar na niet verlangen! En, zou de oude afgeleefde blankhart

dan niet reikhalzen naar dat oogenblik , waar in hij zal heenen gaan naar die gewesten , daar hij dat alles zal genieten ■ eeuwig genieten!

ik. Een dervende Vroome , die zulke gronden heeft, kan ook met blijde gemoedigdheid en roem der hope de eeuwigheid ingaan. Wat zou hem — mag hij op deze gronden ftaan , toch bekommeren ? Dit mag het vooruitzigt van zwaaren arbeid doen , maar niet, het ingaan in de ruste. Dit mag eene lange reis door barre wildernisfen doen; maar niet, het begeerlijk te huis komen in eeuwige tabernakelen. Dit mag het vooruitzigt van feilen ftrijd doen; maar niet, dat van blijde zegepraal.

Zo is het blankhart ! menig ftervend God¬

vruchtige heeft, door beftaan, gedrag en taal, deze waarheid verzegeld!

blankhart. Menigmaal befchouwe ik david op zijn fterfbed — ik hoore de taal van zijne veege lippen — de taal der blijde gemoedigdheid en roem der hoope. (*) — Dan weder verkwikt mij de uitroep van den ftervenden jacob: op uwe zaligheid wachte ik, heer! (f) De verklaring van job, toen hij dacht te fterven, kan mij ook bijzonder bemoedigen : zie, zo hij mij doodde, zou ik niet hoopen ? Ook zal Hij mij tot zaligheid zijn!

(§) ó Dat blankhart met paulus al ftervende

mogt

(») 2 Sam. XXIII: i - 7. (t) Gen. XLIX. 18. iVJob XUI: i5,iÖ.

Sluiten