Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

D E

GOD'SDIENSTVRIEIB»

3V\ 'f%

Ik zag , en ziet in de plaats des gerichts was godlooiheid.

prediker III: 16.

WAS CATAPHAS,ALS HOGEPRIESTER, ORDENLIJ, KE VOORZITTER VAN DEN JOODSCHEN RAAD, IN DE ZAAK ONZES HEEREN?

Voorlang'hebben wij denLeezer een vertoog (*) gegeven over den grooten Joodfchen Raad, en deszelfs eerfte vergadering', waar in de rechtspleging tegen jf.sus, (zxr men hunne onrechtvaardige handelwijs eene rechtspleging noemen mag,) begonnen, en het reeds lang te voren belloten doodvonnis over Hem geveld wierde. Wij menen toen klaar getoond te hebben, dat 'er tusfchen de eerfte en twede zitting van dien Bloed-raad een wezenlijker onderfcheid gemaakt moet worden, dan 'er wel gemeenlijk tusfchen die beiden gefteld wordt, zodanig, dat, daar de twede, welke des anderen daags, 's morgens vroeg gehouden wierd, in zo ver, naar rechten, en wettige gebruiken, te werk ffhg, voor zo ver de orde in het behandelen van hals-zaken medebragt, dat dezelven altijd overnagten moesten, voor en aleer zij ten uitvoer mogten gebragt worden; de eerfte, integendeel, geheel onwettig en wederrechtelijk ware,vermids men in de niterfte verwarring en wanorde famenliep, en alles eensklaps in heete drift en overijling afdeed, zonder zelfs iets anders van de fonna juris en fchijn des rechts Hipt in acht te nemer*,

(O N. 32. des II. Deels.

III. deel. Pp

Sluiten