Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ren zou (*)', op dien van «p^jpo/;, en op den Tkalmud, welks getuigenisfen oititren.i ua opperhoofd des >Sauhe* drins zouden moeten verftaan worden van den hoogpriester ,-benevens andere öirkondén, welke dat keikeii,k Op* perhoofd den voornaamften -en gewoonen rechtsbeiLiler (limqvfi) noemen, hetzelve in een allerprachtigst ëh bijna koninglijk gewaad doen te voorfchijn komen, en hem ongemeen verheden en vereeren.

S t ac k nou se redeneert in 't bijzonder daaruit, dat de Maccabeeuwfche vorften, de eerfte infteliers , zegt hij, van den Joodfchen Raad, .niet hebben kunnen nalaten den post Van voorzitters in denzeiven te bekletien.

Met dit alles is leidekker nogthands van gedagten , dat de hoogepriester altijd wel de voorzitter in \ Kerklijke, doch niet ih het Burgerlijke geweest zou zijn., alwaar men eer te denken hebbe aan den eenen of anderen politiek, en waarom, zegt hij, niet aan den Koning zelven? welke den eeretitel van Naji, geduurende de Kouing'lijke regeering gevoerd zou hebben, of daarna, wie hem in burger-oppermagt naast bijkwam. Daar zijn'er zelfs, dtë de 'njtheemfchen zelven in 't ,eval betrekken,bij voorbeel.r tacitus, daar hij zegt, honor facerdotiifirmamentum potentie cjfumebatur , bm het hoog gezag des Opperpriesters in den Raad te bevestigen.

Welk een aantal van bewijzen! maar van ongelijk gewigtl Wie toch zou door al wat 'er is bijgebragt bewogen worden om zijne toeftemming te geven aan eene ftUling'van die fteilten, dat de hoogepriester van de oudfle tijden her de eerfte en voornaamfte in den Raad geweest zij, en hebbe onder den titel van Nafi het ampt van voorzitter in denzelve'i ordenlijk waargenomen.

Wij zullen ons'hier tegen nu niet verzetten met de geloofwaardige berigten. van ongemeehe onbedrevenheid én flegt Character van niet weinigen, welke den hoo 'p priesterlijken mijter gedragen hebben: zo ver, dat in het Cod.x Joma verhaald worde, dat fommige leden van den Raad, in zeker geval, hunnen hoogepriester te gemoet voerden: „ Gij zijt „ de -wet vergeten, of hebt ze nooit geleerd.''''

Maar fchoon wij niet ontkennen, dat de Tioogepriesterlijke magt allerluisternjkst en hoogst geëerbiedigd geweest zij, van haaren oorfprong af, dat zij in vervolg van tijden, en vooral na de. Babijlonifche gevangenis, hoe langer hoe me.er

■ zij

CO Numtri Hl: 54.

Pp s

Sluiten