Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 364 )

het midden van dit Rite vers eene geheel nieuwe redeneering vastgetteld. — Maar behalven dat, de aart der taai duldt geene van die uitleggingen! — Twee daar van brengen —— in welken — tot bet gelooven in dezen zin : in welken Gij, hoewel (hem} niet ziende , nogthans gelooft. Doch zulk eene conjlruétie (*) der woorden is zonder voorbeeld. — Door invulling van het woord — hem — moet men 'er daarenboven dien zin uitbrengen. — En — daar anderen — in welken — brengen tot het — verheugen —1 is ook dit volftrekt ftrijdende met het taalgebruik , dewijl het woord in dien zin nooit zoo voorkomt, als het hier zoude voorkomen, (j)

Wij voor ons verkiezen daarom eene andere verklaaring, die zonder invulling op het gebruik der taal rust en juist met het verband ftrookt. r

Dat de woorden —— hoewel niet ziende maar geloovende — eene tusfehenrede behelzen , wordt door allen erkend. Zonder invulling moet men die woorden verklaaren en opvatten. Zo dat ze dan even denzelfden zin opleveren, als de woorden van paulus; „ want wij wande-

Blen door geioove en niet door aanfehouwen." (§) —, it immers betekenen de woorden — hoewel niet ziende, maar geloovende —— allernatuurlijkst. ——

Nu volgt van zelve dat — in welken — behoort tot het woord ter dezer plaatze door verheugen vertaald. Doch in die betekenis kan het alhier niet voorkomen; gelijk wij voor taalkundige Lezeren in eene aantekening hebben bewezen. — Alle zwaarigheid verdwijnt, wanneer men onder het oog houdt, dat het woord (4) niet alleen betekent verheugen , maar ook verlangen , verlangende uitzien , met blijdfchap uitzien. (±) — Deze betekenis van het woord lijdt geene bedenking, daar ze bij joSnnes wordt aangetroffen. Wij leezen aldaar: (**) „ abraham uwe „ Vader heeft met verheuginge verlangt op dat hij mijnen dag zien zoude." — Deze is zelfs de eerfte betekenis

■ O) Nam ftS OV cum eptflVTff confirui non potest, quod tarnen jierï icberet, quia pracedit vocdbulum TCl^eVOVTEg.

(t) Pro ï/f OV legt deberet £U <pnam CtyxKhtda fenfa gaudenaj emper fic conftruitur.

(!D 2 Cor. V: 7. CV) AyaAAMfcj.

(40 Hocfenfu conftrui potest cum es; CV» (*•) jol,. VIII: 56.

Sluiten