Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 88 )

dat het nooit weer zou gefchieden: — maar te vergeefsch. Gij weet, zeide Jawjens vader, hoe toegevend mijn vrouw en ik altijd geweest zijn, omtrend u en omtrend uwe gebreken. Maar nu gij ons kind, het welk wij zo zorgvuldig opgevoed en tot een braaf kind gevormd hadden , hebt verleid niet alleen tot ongehoorzaamheid masr ook tot dieverij, hoe kunt gij nu begecren, dat wij u nog een oogenblik langer in ons huis zouden houden? — Gaat uit onze oogen, doet het geen wij u bevolen hebben, en, indien gij kunt, verbetert u.

Thands moest Jansjei verfchijnen, zij kwam in een deerniswaardigen toeftand te voorfchijn. Haare oogen waren dik gezwollen, haare wangen bleek, haar geheele lichaam beefde, zij was volitrekt niet in liaat om één woord te uiten. In dien toeftand wachtte zij het vonnis af, dat haare ouders over haar zouden vellen. — Op een ernfiigen, doch bedaarden toon, fprak haar vader haar dus aan:

Jansjen, Gij hebt uwe ouders zeer beledigd ! Hoe kondt gij gelooven, dat eene dienstmeid u meer beminnen zou , dan uwe ouders ? Hoe haar iievc g' ehoorzaamen, dan uwe moeder, die niets vuuriger- wenseht, dan dat gij altijd gelukkig moogt zijn, en in het toekomende nog gelukkig

.' ger

Sluiten