Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 134 )

■• kó't je» Hadt zij,mij flechts zo- niet gekrabt.

Moed. Dan zoudt gij haar immers nog meer ge-, flagen hebben, was dat wel uw oogmerk ? . lotje. Och neen !

moed. Of denkt gij niet, dat het haar pijnlijk was, toen gij haar floegt? zeg mij eens, wanneer iemand u, op het onverwagst aanvatte, en floeg, zoudt gij dan geene pogingen doen, om zijne han■den te ontkomen, zogoed gij kondt? .— zij kou u niet fmeeken, om haar toch los te laten: — cn dus bediende zij zich van hct.eenig middel, 'c welk haar, ter haarer verdediging overbleef, zij krabde u.

lotje. Arme kat!

Thands omhelsde de moeder haar: Nu verdient gij weder, zeide zij, dat ik u, gelijk te vooren lief heb, en nu kan ik uw katjen u laten behouden; dewijl ik hoop dat gij thands begrijpt, hoe onrechtvaardig gij haar behandeld hebt. — Ik zou ze u ontnomen hebben, indien ik had moeten denken dat gij in 't vervolg ■ wederom zo ouverftandig met •haar zoudt handelen. —

latje behield: dus haar katjen; nooit ontftal hetdiertjen haar wederom iets, want Lotje was zo bedagtzaam geworden, dat zij niet ligt eenige fnpeperjj voor hetzelve liet liggen. Nooit floeg zij haar weder, want het lidteken op haare hand, hetwelk

nog

Sluiten