Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 32 )

hoewel Karei er zeer veel fpïjt van hadt, naar die» hij liever langs andere laanen door het bosch zou terug gekeerd zijn, ten einde zijne Zuster ook daar nog eenige bijzonderheden aantewijzen. —

Toen zij, omtrent honderd fchreden op den terugweg hadden afgelegd, zien zij, aan de water zijde, een man, in het gras nederzittende, 'tfcheen een Soldaat te zijn.

Ach! riep de bevreesde Emilie, dat is zeker een dronken bedelaar, dieniet verder komen kan. Kom Rare-! maak toch , dat wij hem fpoedig voorbij komen — en met een wilde zij, dwars over het veld, naar huis lopen.

Wacht wat, zeide Karei, hoe kunt gij U terftond zo bang maaken. Misfchien is de man vermoeid en rust wat uit in 't gras. Kom, gaa gerust en bedaard met mij, hem voorbij, hij zal ons geen kwaad doen. Misfchien heeft hij aan een of ander gebrek — zie eens, hoe vervallen en ziek. lijk hij er uit ziet. — Wacht, ik zal hem vragen, wat hem fcheeit.

Emil. En waartoe zou dat dienen! — Als gij dat doet, Karei! dan gaa ik nooit weder met u wandelen —

Kerel was zeer verwonderd over zijn Zuster. •— Te vouren was zij nooit zo geweest. Voorheen hadt zij , voornaamlijk bij het leven van haar moeder,

meer.'

Sluiten