Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 33 )

meermaalen zelve iets gegeven aan den armen, hoe fober en wanhavenig zij er ook uit zagen; <— en thands fcheen zij daar van een'afkeer te hebben. 1— Zie eens, Emilie! (zeide hij) die man ziet er geheel niet naar uit, om ons kwaad te doen.

Emilie. Och, wat heeft hij een morflge kiel om het lijf — wie weet, wat al ongedierte daarin huisvest. Foei! — ik mag dien man niet aanzien»

Toen zij nader bij kwamen, nam die arme man beleefd zijn hoed af. Ach! mijn lieve jonge heet en juffrouw! (zeide hij met eene zwakke Item,) weest toch zo barmhartig, en reikt mij, arme kranke man, een dronk koud water. —

Emilie. (fpottende) Wel ja! — waarom niet liever een glas limonade? — Kom, Karei'. Papa wacht ons — gaa met mij. —

Karei kon het niet van zijn hart verkrijgen, oiri dien armen man, ftilzwijgend, voorbij te gaan. — Zijn waarlijk goed en deelnemend hart trok hem, als met geweld, naar dien armen man toe. Nader bij komende vondt hij, dat hij op verre na zo morlig niet was, als Emilie hadt gezegd , maar wel, dat hij een bleek en zieküjk gelaat hadt. Wacht nog een weinig, lieve Emilial riep hij. — Emilia hadt hier geen ooren naar, zij riep liever een morfi* gen hond tot zich, en liep, zonder haaren broeder te wachten, met rasfe fchreden naar huis.

. C Slsjhti

Sluiten