Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

c 85 y

jeugd deze of geene onbefchaafde, onkundige menfchen, bij gelegenheid van het onweder, diergelijke vrees aan den dag leggen, door houding, woorden en gebaarden. Misfchien hoorde hij, dat deze menfchen zeiden, dat de lieve God boos was, en dat de donder een bewijs was van zijn toorn en gramfchap; en wat diergelijke fprookjens meer zijn, en zo doende ontftondt die kinderachtige vreeze voor het onweder.

Die braave landman hadt zeker gelijk, wanneer hij beweerde, dat het onweder voor menfchen en dieren, voor planten en gewasfen, van de grootfie nuttigheid is. De lucht wordt er door gezuiverd, daar dezelve voorheen, vooral ook door de üerke warmte, vol fchadelijke dampen is; zij wordt bekoeld , het land wordt verfrischt en het aardrijk ontbonden , zo dat de vrugtbaarmaakende regen te gemakkelijker kan indaalen in het aardrijk, — God is dus bij het onweder onze grootfte weldoener. — Hoe zou hij ook kunnen toornen, of vergramd zijn , hij die de liefde zelf is, en 'alle de fchatten van zaligheid bezit. — Wie, die eene goede Confcientie heeft, zou dan voor het onweder bevreesd zijn ? Zie daar, kinderen ! ook om die reden is het goed, wanneer men altoos braaf en regt handelt, op dat men bij alle gelegenheden, en ook bij onweder, vrolijk en vergenoegd zou kunnen zijn. — F 3 De

Sluiten