Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hadden zij zich verre verwijderd , van de plaats hunner wooning, toen zij, onverwagt, van verre een bitier gekerm hoorden. Nooit hadt Almanzor diergelijke gehoord ; zijn hart wierdt als van een gefcheurd: — „ Wat is dat?" vroeg hij zijnen vriend, terwijl hij hem ftijf onder deocgen zag. —• Waarfchijnlijk een ongelukkige," zeide de Grijsaard — en fnel, als een pijl, vloog Almanzor naar die plaats, van waar deze klaagfiem kwam.

Twee roevers hadden een reiziger overvallen, en toen deze zich, met zijne knecht, verdedigde, wierdt eerst de knecht gedood, en daarop de Reiziger neergeworpen, en verbazend gewond. Toen zij hen van alles beroofd hadden, vertrokken zij. —Van alles, ook zelfs van zijre klederen beroofd, en dus geheel ontbloot lag deze verwonde reiziger hier, zonder zich zelfs te kunnen helpen, en zonder eenige hulp van elders te kunnen erlangen. Door zijn geklag hoopte hij nog hier of daar eeh helper te vinden. Zo vondt hem Jlmanzort welk een vreemd , maar tevens welk een aandoenlijk fchouwfpel voor hem , die zulke menschlievende gevoelens koesterde. — Nooit hadt hij diergelijke gezien. Hij ftondt geheel verflagen, hoorde den ongelukkigen kermen, maar in eene vreemde taai, die hij niet verftondt; zag zijn bloed uit zijne wonden vlieten: — zijn hart wierdt beklemd ; naauwlijks kon h?J zijne oogen op die ongelukkigen

Sluiten