Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6 Leerrede

te regelen ; is het nogthans niet minder blijk-^ baar , dat dezelve voordvloeide uit dezelfde grondbeginfelen met dat verbod in de Wet der tien woorden: Gij zult niet fteelen. Zoo zegt Paulus

— misfchien doelende op deeze zelfde plaats i Den rechtvaardigen is de Wet niet gezet, maan

den vadermoorders en den moedermoor ders y

den doodflaagers, den hoereerders , dien die bij mannen liggen, den mensphendibven, den leugenaars, den meineedigen (a). Menfchen-i diefte wordt hier gerangfchikt onder zulke misdaaden , welken meest verfoeijelijk zijn in het oog van God , meest verderflijk voor de maatfchappij, en welken meest verdienen door het zwaard der Overheid met den dood geftraft te worden. Menfchendiefte moet oveiv zulks bcfcho«™-j worden als een zedelijk kwaad

— algemeen kwaad, in alle eeuwen, en bij alle volken. En niet flegts is het een kwaad, maar het is eene misdaad van de eerfïe grootte , tegen onzen evenmensch. Indien hij , die eenen anderen zijn wettig eigendom ontvreemdt, die een fchaap fteelt, op de gemeene wegen rooft en ftroopt, of elders huisbraak pleegt, befchouwd en behandeld wordt als een dief, een roover, een pest der maatfchappij ; aan

welk

C«) [i Timotheus I: 9, 10 ]

Sluiten