Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IS LEERREDE

tot de nabmrige Heidenfche Staaten, en tot dié

alleen. Schoon de af koomelingen van Hei-*

denfche Volken in 't gemeen, wanneer zij onder de Israé'lijten woonden^ vreemdlingen werden genoemd, en fchoon geen derzelven met wreedheid mogt behandeld worden; befchouwde nogthans de Mofaïfche wet hen niet alle op denzelfden voet, of als even gelijke aanfpraak hebbende op de goedwilligheid der Hebreeuwen. Want terwijl God toeliet, fommigen van die vreemden te koopen, en in eenen ftaat van flaavernij te plaatfen — het welk ten aanzien van eenen Israëliër volftrekt verbooden was; zoo beveelt Hij tevens, in het zelfde Hoofd' ftuk, dat anderen van die fTv^mMngeti, wanneer zij door armoede gedrukt waren, dezelfde meêdoogendheid zouden genieten , welke men aan de afftammelingen van Abraham , in gelijke omftandigheden, verfchuldigd was. Met betrekking' tot deeze bezonderheid , was de wet: Als uw broeder zal verarmd zijn , en zijne hand lij u wankelen zal, zoo zult gij hem vasthouden; zelfs eenen vreemdling en bijwooner, epdat hij bij u leeve (£). Hier uit ontflaat geen geringe trap van waarfchijnelijkheid , dat geene anderen, dan vreemdlingen van het ge-

flacht

(k) Lev. XXV: 3$.

Sluiten